Gedonder op donderdag

Christian Versloot • woensdag 20 juni 2012

De afgelopen dagen is het in verschillende media al volop aangekondigd: het kan opnieuw tot ‘noodweer’ komen. We zeggen niet dat het tot noodweer komt – want wat is noodweer nu eigenlijk? – maar op de weerkaarten is wel een situatie te zien die mogelijk overlast als gevolg kan hebben. Een uitleg.

Het globale weersysteem is een patroon van lage- en hogedrukgebieden en de daarbijhorende passaatwinden. Een gordel van lagedrukgebieden ligt rond of, afhankelijk van het seizoen, net boven of onder de evenaar; rond de Azoren ligt een hogedrukgebied en in onze omgeving liggen opnieuw lagedrukgebieden. Gaan we verder naar het noorden, dan komen we opnieuw een hogedrukgebied tegen. Hetzelfde systeem vindt men op het zuidelijk halfrond.

Tussen deze drukgebieden komt stroming op gang – iets wat in de volksmond wind wordt genoemd. Lucht stroomt, door de draaiing van de aarde enigszins gekromd, van een hoge- naar een lagedrukgebied toe. Als we dat projecteren op het noordelijk halfrond, moet lucht vanuit het zuiden ergens botsen op lucht vanuit het noorden. Dat gebeurt in onze omgeving en is één van de ‘verantwoordelijken’ voor het ontstaan van depressies. Dat is nu echter niet ter sprake. Dit polaire front, zoals het ook wel wordt genoemd, ligt dezer dagen bij ons in de buurt. Dat is goed te zien op de kaart met daarop de theta-e, een getal dat bepaald wordt door de warmte en de vochtigheid van lucht. Onderstaande weerkaart is zo’n theta-e weerkaart, met daarop het theta-e getal voor vanavond om 20.00 uur op het 850 hPa-drukvlak. Dat betekent dat dit het theta-e getal is voor zo’n anderhalve kilometer hoog. Het polaire front is duidelijk te zien.

Theta-e kaart van 850hPa-drukvlak. Het polaire front is goed te zien.

De situatie van morgen

Nu gaan we kijken naar de situatie van morgen. Een hoogtetrog, een uitloper van een lagedrukgebied die te herkennen is als men de isobarenkaart van het 500hPa-drukvlak (ca 5,5 kilometer hoogte) bekijkt, zorgt ervoor dat het polaire front langzaam beweegt en dat er een zuidwestelijke stroming op wordt gezet. Mochten er buien ontstaan, dan is de weg vrij om door te stoten naar ons gebied.

Er zijn natuurlijk ook verschillende onweersindices – getallen die een voorspellende waarde bieden op het ontstaan en voorkomen van onweer – die we langslopen. Verder kunnen we ook aan de hand van neerslagkaarten een voorspelling maken waar onweer zal gaan ontstaan.

We beginnen met waarden die door vele onweerliefhebbers worden gebruikt om onweerskansen aan te duiden: de CAPE- en LI-waarde. CAPE staat voor Convective Available Potential Energy en geeft de hoeveelheid energie aan die in de atmosfeer aanwezig is maar niet per sé wordt aangesproken, iets wat betekent dat als er geen buien ontstaan (bijvoorbeeld door een laag in de atmosfeer die vrije buienvorming tegenhoudt) er zó ontzettend veel CAPE kan zijn, terwijl er niets gebeurt. In het onderste deel van de atmosfeer is vrij weinig CAPE aanwezig, maximaal 750 à 800 Joules per kilogram lucht. Lokaal komt de hoeveelheid CAPE net >1000 J/kg uit, ook niet overdreven hoog. Het Amerikaanse weermodel GFS berekent echter meer CAPE dan het Nederlandse HiRLAM, dat amper CAPE weergeeft in de onderste lagen van de atmosfeer. Op de weerkaart hieronder is de hoeveelheid MLCAPE (onderste lagen van de atmosfeer) te zien. Er is dus potentiële energie aanwezig, maar het is echter niet veel. Té veel CAPE is echter ook niet goed, dus dit is nog niet eens zo’n dooddoener.

De Lifted Index ligt rond -4 graden Celcius, lokaal -5 graden Celcius. Dit betekent dat op 5,5 kilometer hoogte (op het 550 hPa-drukvlak) de temperatuur van een stijgend luchtdeeltje 4 à 5 graden warmer is dan de omgevingstemperatuur. Dit betekent dat het deeltje, als het überhaupt al opgestegen is van de grond – en dát is de vraag – stijgt, het vanaf 5,5 kilometer nog veel verder kan stijgen (omdat warmere lucht lichter is dan koudere lucht en dus stijgt; hoe warmer de lucht ten opzichte van zijn omgeving, hoe verder deze lucht kan stijgen).

Iets wat ook belangrijk is om naar te kijken is de temperatuur. Een hogere temperatuur zorgt vaak voor meer voeding van de bui, wat betekent dat deze zwaarder uit kan pakken. De temperatuur ligt morgen tussen 17 en 20 graden in het noorden, 20 en 23 graden in het midden en tussen 20 en 25 graden in het zuiden. Goed genoeg! De dauwpunten liggen rond 19 graden in het zuiden. Dat betekent dat de lucht niet al te vochtig is, iets wat weer minder is voor onweersbuien.

MLCAPE kaart van morgenmiddag 17.00 uur.

Oké, we gaan verder. Je kunt namelijk niet alleen naar de hoeveelheid CAPE kijken, omdat deze slechts een indicatie geven van de sterkte van een bui als deze al ontstaat. De KO-index, afkorting van Konvektiv-Index, houdt rekening met vocht op verschillende drukvlakken. Hierdoor kan een groter beeld worden gevormd van de mogelijkheid op buienvorming. Waarden tussen 2 en 6 geven onweerkansen aan, waarden boven 6 geven ‘absoluut geen onweer’ aan en waarden lager dan 2 geven ‘potentiëel significant onweer’ aan, om het maar moeilijk te zeggen. Kijken we naar de KO-kaart dan zien we genoeg negatieve getallen voorbij komen, wat betekent dat er buienvorming plaatsvindt. We zien ook een enorm roze gebied op de weerkaart, en dat betekent dat daar verticale luchtbewegingen plaatsvinden. In dit geval zijn dat grofweg de gebieden waar buien zich bevinden. Onderstaande weerkaart is van morgen 20.00 uur.

Er zijn ook verschillende soorten onweersbuien. Er zijn namelijk onweerscomplexen, winterse buien met onweer, zomerse warmte-onweersbuien, lijnen met goed georganiseerde zware onweersbuien, enzovoort. Ieder type bui heeft ook weer zijn karakteristieke weersverschijnselen. Door te kijken naar de hoeveelheid windschering kunnen we bepalen hoe goed de organisatie van buien zal zijn. Kijkend naar morgen dan zien we dat er zeker organisatie mogelijk is, maar dat we er ook niet al te veel van moeten verwachten. Zoals het er nu naar uit ziet gaan we dus richting het onweerscomplex.

Dus?

Misschien heeft u bovenstaand stuk wel helemaal voor niets gelezen. Grapje. Ik heb hier namelijk de situatie in Nederland beschreven, hoe deze er voor staat morgenmiddag. Het is erg belangrijk om voldoende kruit in je stuk dynamiet te hebben zodat het zo hard mogelijk afgaat. En dat lijkt morgen wel aanwezig te zijn.

Want de buien ontstaan helemaal niet boven Nederland. En ook niet boven België. Boven het noordwesten van Frankrijk ziet het er naar uit dat daar buien gaan ontstaan, zo tegen het middaguur. Het Amerikaanse weermodel heeft ook nog een ‘oud’ neerslagsignaal in de output staan, iets wat betekent dat een complex de nacht overleeft.

De buien zullen zich naar alle waarschijnlijkheid morgen organiseren in een onweerscomplex, een zogeheten MCS. Wat er dan niet op zal treden zijn zeer zware windstoten, grote hagel en andere zwaar-dynamische randverschijnselen zoals windhozen. In een losse bui kan dit door de organisatie die toch aanwezig is, wel gebeuren – in het complex echter amper tot niet. Wat er wel op de planning staat is onweer (altijd gevaarlijk, in welke vorm dan ook) en mogelijk wateroverlast. Het ziet er naar uit dat het westelijke deel van de Benelux morgen prijs heeft, terwijl het oostelijke deel van de Benelux het met stukken minder moet doen. Later op de avond zal de activiteit wat minder worden, maar ik denk zelf dat het systeem nog wel een tijd actief kan blijven – dit is een kenmerk van MCS-systemen.

Het wordt dus morgen een spannende dag! De positie van het complex kan nog steeds anders worden en het is dus zaak om morgen de radar goed in de gaten te houden om op het laatste moment positieverschillen door te kunnen geven. We houden alles dus goed in de gaten op Bliksemdetectie.nl en zullen updates doen van wat dan ook met het noodweer te maken heeft. Voor de onweerliefhebbers: have fun! Voor de onweerhaters: het spijt me…

Bronnen: Donderkopsite, Wetterzentrale, Lightningwizard, Praktische gids voor de onweerliefhebber, Wetter3, GFS, HiRLAM

Bedankt voor het delen

Discussieer mee!

Wat vind je van dit artikel? Ben je het met ons eens? Hoe kunnen we het de volgende keer beter doen?